Leliekerk
Krommenie

Nieuws

Nieuws

Agenda

9 november 2018

Pasen

Geen lichamelijke Opstanding van Jezus Christus uit de doden, geen Kerk op …

26 maart 2016

Lijdensweg 2

Hij moest zijn in het Huis van Zijn Vader om de offerdienst in de Tempel te…

25 maart 2016

Lijdenstijd deel 2: De discipel, die Jezus liefhad

Door Ganpat Berrevoets

Het is Witte Donderdag, de dag waarop Jezus aanlag met Zijn discipelen voor het Pesachmaal. Er was één discipel die heel dichtbij Jezus lag tijdens dit feest: aan zijn boezem, staat er in Johannes 12:23. Men noemt hem in dit evangelie wel: de discipel of de discipel, die Jezus liefhad. Betekent dat nu dat Jezus hem lief had of hij Jezus? Vanuit de grondtekst kunnen we opmaken dat het Jezus was, die hem lief had. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat het andersom niet het geval zou zijn geweest.

Wie was hij? Men zegt wel dat het Johannes zelf was, omdat het in ‘zijn’ evangelie staat en hij zich waarschijnlijk ‘anoniem’ wilde opstellen. Kerkvader Irenaeus (± 186 n.Chr.)  schrijft als één van de eerste dat het evangelie is geschreven door Johannes de zoon van Zebedeüs en er is ook een oude lijst uit dezelfde tijd met de boeken van het Nieuwe Testament geven de naam ‘het evangelie van Johannes’. We zitten dan al eind 2de eeuw, zeker honderd jaar nadat dit evangelie geschreven is. Daarvoor was dit nog niet met stelligheid gezegd.

Ook vandaag weer een paar gedachten over een volgeling van Jezus. Een discipel, die Jezus van zo dichtbij had meegemaakt en getuige was van Zijn kruisiging en opstanding! Zijn ware identiteit heeft me al een tijd bezig gehouden. Al vanaf het begin van mijn opleiding theologie. Het mooie van die opleiding was dat ik Grieks leerde lezen en het evangelie nu ook in de oorspronkelijke taal kon doornemen. Gelukkig is het Grieks van ‘Johannes’ niet zo moeilijk! Ik ben vooral gaan letten op de taal in het evangelie en de manieren waarop er over deze discipel geschreven wordt.

Er vallen een aantal dingen op als je het evangelie heel goed doorleest. Het begint eigenlijk al bij het begin. Geen geboorteverhaal, maar een heel bijzonder gedeelte over Jezus’ oorsprong bij God en vervolgens de directe focus op Johannes de Doper. De voorloper van de Messias, die in dit evangelie bij Betanië aan het dopen is. Betanië, het dorp waar Maria en Martha woonden. Vervolgens valt het op dat Jezus Zijn eerste discipelen daar vindt! En niet zoals we gewend zijn vanuit de kinderbijbel en het lied Jezus, die langs het water liep en Simon en Andreas riep, bij het meer van Galilea. De eerste twee discipelen zijn eerst discipelen van Johannes de doper geweest. Andreas en een andere discipel, van wie de naam niet genoemd wordt. Even later ontmoet Petrus Jezus voor het eerst, omdat Andreas hem naar Jezus leidt. Die stoere Petrus kwam niet zelf naar Jezus toe, nee, zijn broer bracht hem bij de Heer (Johannes 1:41-43).

Wie is dan die niet bij name genoemde discipel? Nieuw Testamentici – dat zijn mensen die heel erg veel op het Nieuwe Testament gestudeerd hebben – zijn het er over eens dat dit de persoon is, die het evangelie geschreven heeft. Overal waar die discipel ‘een discipel’, ‘de discipel, die Jezus liefhad’ of ‘een andere discipel’ genoemd wordt in dit evangelie, gaat het over dezelfde persoon. Het bijzondere is, is dat deze persoon heel vaak ‘opduikt’ in de buurt van Jeruzalem en dat dit evangelie zich vooral afspeelt in die omgeving. Hij wordt door Johannes de Doper, zijn eerste leraar, gewezen op Jezus en begint Jezus vanaf Betanië te volgen. Maar Johannes en zijn broer Jakobus kwamen toch uit Galilea, waar ze werkten voor het vissersbedrijf hun vader Zebedeüs? Geen probleem zegt Jozef Ratzinger, de voormalige Paus Benedictus XVI. Er waren wel vaker priesters uit verschillende gebieden in Israël, die naast hun priesterdienst ook nog ander werk hadden om hun gezin te onderhouden. Misschien was Johannes in die tijd toevallig wel in Jeruzalem en is dat ook de reden dat die discipel een bekende van de hogepriester wordt genoemd (Johannes 18:15). Deze discipel kan zomaar bij deze belangrijke man naar binnenlopen en zorgt ervoor dat ook Petrus binnenkomt. Wel vreemd dat deze zelfde hogepriester Johannes dan niet in één keer herkent in Handelingen 4:13-14 en dat hij hem ook ziet als een ongeletterde, eenvoudige man. Het blijkt daar dus uit dat Johannes nooit bij de hogepriester Kajafas en zijn schoonvader Annas was binnengeweest.

Wie is die discipel, die Jezus liefhad dan wel? Dat zinnetje ‘die Jezus liefhad’, komt pas laat in het evangelie voor. Het wordt eigenlijk over niemand anders gezegd op drie personen na en als het over hen en name over hem gezegd is, volgt pas de aanduiding: de discipel, die Jezus liefhad. In Johannes 11:3 staat: ‘Heer, die u liefheeft is ziek.’ En kort ervoor in 11:1 staat: ‘Er was iemand ziek, Lazarus van Betanië, uit het dorp van Maria en Martha haar zus.’ Het gedeelte gaat over de opstanding van Lazarus. Ik kom daar nog op. Lazarus is vanaf dat moment redelijk vaak aanwezig, ook als zijn zus Maria, Jezus zalft. Men wil Lazarus zelfs doden! (Johannes 12:10). Altijd liep Jezus zelf gevaar, maar nu ook Lazarus … dat is nog niet eerder over een andere volgeling van de Heer gezegd tijdens Zijn leven.

Misschien zullen sommige mensen zeggen, Jezus had zoveel mensen lief. Dat had Hij zeker. Maar dat het zo specifiek over Lazarus staat en dat daarna pas in Johannes 13:23 bij het Pesachmaal, zo even terloops en voor het eerst de discipel, die Jezus liefhad genoemd wordt, daar kan een Bijbeluitlegger moeilijk overheen lezen.

Waar werd de discipel, discipel van Jezus? Bij Betanië, de plaats waar Lazarus woonde. Als hij daar discipel van Johannes de Doper was, die zelf uit die omgeving afkomstig was, is dat goed te verklaren. Ook is het dan te verklaren dat hij zo bekend is met de hogepriester en nog een persoon uit die elitekring, Nikodemus (Johannes 3) en hoe het komt dat hij weet dat Malchus, de dienaar van de hogepriester is (Johannes 18:10). Maar is dit nu allemaal wel belangrijk? En wat heeft dit met Pasen te maken?

De discipel wilde met dit evangelie bereiken dat mensen zouden gaan geloven dat God Jezus gezonden heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren zou gaan, maar het eeuwige leven heeft en dat God Hem om die reden heeft aan het kruis heeft verhoogd in onze plaats (Johannes 3:15-16; 20:30-31). Daar gaat het hem om en niet om zijn eigen naam. Hij heeft wellicht zelfs niet willen zeggen dat het zijn eigen ezel was, waarop Jezus Jeruzalem binnenreedt, maar schrijft: ‘Jezus vond een jonge ezelin Hij ging erop zitten …’ (Johannes 12:14), terwijl we allemaal wel weten hoe dat ging. Jezus liet de ezelin in Betanië halen door twee discipelen en na de intocht ging Hij weer terug naar hetzelfde dorp om daar te verblijven (Lukas 19:28-35 en Mattheüs 21:17).

Toch kon hij de op één na belangrijkste gebeurtenis uit zijn leven, die hij zo uitgebreid beschreven heeft niet weglaten. Daar schuifelde hij dan, het graf uit, zijn voeten en handen nog gebonden in de grafdoeken en met een zweetdoek om zijn gezicht. Hij hoorde Jezus zeggen: Maak hem los en laat hem gaan. Zo maakte hij mee dat Jezus alle macht had om de dood te overwinnen.

De zweetdoek … die komt nog één keer terug en dat is bij het lege graf op de Paasmorgen. De doek ligt opgerold op een andere plaats. Petrus ziet het als eerste en daarna gaat ook de discipel, die Jezus liefhad naar binnen. Bij het zien daarvan, van de lege windselen en die zweetdoek, die als laatste genoemd wordt, gelooft hij (Johannes 20:7). Is dat het moment geweest dat Lazarus terugdacht aan de zweetdoek die nog om zijn hoofd zat, toen hij was opgewekt uit de dood? Is dat voor hem, omdat hij die zweetdoek zo uitdrukkelijk noemt, een verwijzing naar zijn eigen zweetdoek en meer nog een verwijzing naar zijn geloof dat Jezus Christus is opgestaan uit de dood? Als Jezus hem kon opwekken, dan zou Jezus ook Zijn eigen dood hebben kunnen overwinnen!

Lazarus zag Jezus nog een keer aan het meer van Galilea samen met een paar andere discipelen. Hij had het meteen door dat het Jezus was, die hen riep. Net als aan het begin van het evangelie worden er twee discipelen niet bij name genoemd. In de Bijbelwetenschappen noemen we dat ook wel een ‘insluiting’ of een ‘ringstructuur’, die wel vaker in Bijbelteksten is te vinden. Vergelijk Johannes 1:37 en Johannes 21:2 eens met elkaar. Die discipel hoort bij de niet bij naam genoemde mannen zoals aan het begin van het evangelie.

Was het dan Lazarus, die gehoor gaf aan zijn zus, Maria, om haar maar weer even Magdalena te noemen, toen hij de focus wilde leggen op haar persoonlijke ontmoeting met Jezus na Zijn opstanding? Was hij het, die Jezus gevolgd was in het huis van de hogepriester? Was hij het die Hem gevolgd was met Maria Magdalena, zijn zus tot aan het kruis? Vertrouwde Jezus aan Lazarus, die Hij liefhad, Zijn moeder toe en nam hij haar in huis? (Johannes 19:27). Je zou niet anders verwachten van de geliefde discipel van de Heer.

Petrus en de anderen dachten dat de discipel, die Jezus liefhad niet zou sterven. Misschien een logische gedachte, want Lazarus was al een keer gestorven. Maar hij herhaalt Jezus woorden: ‘Als ik wil dat hij blijft, totdat ik kom, wat gaat het u aan?’ (Johannes 21:21-23). Wellicht klinkt hierin wel het verlangen door van een ouder geworden Lazarus, naar de wederkomst van Zijn Heer en Redder, die de Redder is van de hele wereld. 

lijdensweek217042014.jpg